Hypoluteïdisme

 Laatste Nieuws
  • Op dit moment hebben wij geen puppy's beschikbaar en zijn we ook niet voornemens om op korte termijn te fokken.

Men spreekt van hypoluteïdisme indien de teef te weinig luteïne aanmaakt  (2-3ng/ml is nodig voor het onderhoud van de dracht). Dit heeft ten gevolge herhaaldelijke vroeggeboorte bij een teef die verder gezond is en waar bij de pups geen afwijkingen of infectieuze oorzaken aangetroffen kan worden.

Alhoewel een te laag progesterongehalte (hypoluteïdisme) vaak genoemd wordt als oorzaak van (herhaaldelijke) abortus bij de teef, is het belangrijk om eerst alle andere mogelijke oorzaken van abortus uit te sluiten. De corpora lutea zijn tijdens de hele dracht noodzakelijk bij de teef. Om de dracht in stand te houden is slechts een progesteronconcentratie van 1 tot 2 ng/ml vereist.

Wanneer bij een aborterende hond lagere waarden gemeten worden, is dit niet verwonderlijk en eerder een gevolg van de abortus dan een oorzaak ervan. Alleen bij herhaaldelijke late abortus van ogenschijnlijk normale jongen, waarbij een infectieuze oorzaak, zoals Brucella canis en herpesvirus kan uitgesloten worden, kan een onvoldoende werking van de corpora lutea aan de basis liggen. Een drachtige teef wordt verdacht van hypoluteïdisme wanneer de progesteronconcentratie vanaf week 4-5 lager is dan 5 ng/ml en wanneer de teef niet lijdt aan een infectieuze of metabole ziekte (Tibold en Thuróczy, 2009).

Er zijn slechts enkele gevallen in de literatuur beschreven van drachtige teven die aborteerden door hypoluteïdisme (Root-Kustritz 2001; Görlinger et al. 2005; Johnson 2008; Tibold en Thuróczy, 2009). Het is momenteel nog niet volledig duidelijk wat de oorzaak zou kunnen zijn van de lage progesteronconcentraties, alhoewel twee hypothesen geopperd worden. Bij de eerste hypothese veronderstelt men dat de placentafunctie aan de basis ligt van de lage progesteronsecretie. Relaxine wordt gesecreteerd door de placenta en de concentratie zou gecorreleerd zijn met de placentafunctie. Men vermoedt tevens dat relaxine een factor zou kunnen zijn die de secretie van prolactine ondersteunt. Het is bekend dat tijdens de tweede helft van de dracht bij de teef prolactine luteotroof is en ervoor zorgt dat de progesteronconcentratie voldoende hoog blijft. Als de placenta niet goed functioneert, daalt de relaxineconcentratie, daalt ook de prolactineconcentratie en daalt vervolgens de progesteronconcentratie. Er is reeds aangetoond dat de relaxineconcentratie lager is bij drachtige teven die verdacht worden van hypoluteïdisme (Günzel–Apel et al., 2006).
Deze teven hebben ook meer embryonale resorpties, ondanks progesteronsupplementatie, wat ook op een gebrekkige placentafunctie kan wijzen. Een tweede hypothese wijt de lage progesteronconcentraties aan een subacute endometritis, waarbij door de ontstekingsreactie in het endometrium prostaglandine F2alfa wordt vrijgezet, met luteolyse als gevolg. Rassen die gepredisponeerd zijn voor luteale insufficiëntie zijn Duitse herders en rottweilers, die vaak een kortere cyclus doormaken en dus ook een kortere metoestrus/luteale fase hebben (Gunzel-Apel et al., 2006). Ook wanneer de oestrus van de teef geïnduceerd wordt met desloreline, zijn progesteronconcentraties lager dan normaal in de tweede helft van de dracht en treedt er vaak abortus op (Johnson 2008).

Wanneer een teef verdacht wordt van hypoluteidisme, dient het progesterongehalte vanaf de dekking nauwgezet opgevolgd te worden, met een wekelijkse bloedname tijdens de dracht. Ook moet echografisch gecontroleerd worden of de foetussen nog in leven zijn. Als de foetussen leven en de progesteronwaarde daalt onder 10 ng/ml, dan moet men elke twee à vier dagen de progesteronwaarden controleren. Als het progesterongehalte daalt tot minder dan 5 ng/ml vóór dag 58-60 na ovulatie, dient men progesteronsupplementatie op te starten. De behandeling wordt meestal gedaan met kortwerkende orale progestagenen die twee tot drie dagen vóór de uitgerekende partusdatum gegeven dienen te worden. Er dient opgemerkt te worden dat progesteronsupplementatie tijdens de eerste helft van de dracht niet wenselijk is, omdat dit aanleiding kan geven tot masculinisatie van de vrouwelijke foetussen en tot hypospadie bij de mannelijke foetussen. In de tweede helft van de dracht is het relatief veilig, op voorwaarde dat de foetussen niet geïnfecteerd en/of afgestorven zijn, want dan zorgt progesteron ervoor dat de infectie onderhouden en de cervix gesloten blijft.

Enkele protocollen die met goed gevolg gebruikt kunnen worden bij teefjes met hypoluteïdisme:
Altrenogest (Regumate®): 0,088 mg/kg per os éénmaal per dag (Root-Kustritz, 2001)
Medroxyprogesteronacetaat (Perlutex®): 0,1mg/kg per os, éénmaal per dag (Görlinger et al., 2005)
De progesteronsupplementatie moet in ieder geval twee tot drie dagen vóór de verwachte partusdatum gestopt worden. Dit houdt in dat de dekdatum bekend moet zijn of dat men via vaginale cytologie (partus 57 dagen na cytologische metoestrus) of het ovulatietijdstip de partusdatum (partus 63 dagen na ovulatie – progesteron 4-10 ng/ml) dient te voorspellen. Indien de dekdatum niet bekend is, kan als alternatief een röntgenopname van de drachtige teef gemaakt worden. Zodra de tanden van de foetussen zichtbaar zijn, moet de progesteronsupplementatie gestopt worden (RootKustriz 2001). Als progesteron langer gegeven wordt, wordt de dracht verlengd, waardoor de foetussen kunnen afsterven en de partus niet op gang komt. Bovendien kan de teef problemen hebben met de lactatie. Toch kan het ook bij het tijdig stopzetten van de supplementatie nodig zijn om een keizersnede uit te voeren, zoals beschreven in de casereport van Görlinger (2006).

REFERENTIES
Görlinger S., Galac S., Kooistra H.S., Okkens A.C. (2005). Hypoluteoidism in a bitch. Theriogenology 64(1), 213219. Günzel-Apel A.R., S. Zabel, C.F. Bunck, S.J. Dieleman, A. Einspanier, H.O. Hoppen (2006). Concentrations of progesterone, prolactin and relaxin in the luteal phase and pregnancy in normal and short-cycling German Shepherd dogs. Theriogenology 66, pp. 1431–1435
Johnson C.A. (2008). High-risk pregnancy and hypoluteoidism in the bitch. Theriogenology 70(9), 1424-1430. Root-Kustritz (2001). Use of supplemental progesterone in management of canine pregnancy. In: Concannon P.W., England G., Verstegen III J. and Linde-Forsberg C. (Eds.). Recent Advances in Small Animal Reproduction. International Veterinary Information Service, Ithaca NY (www.ivis.org), 2001, A1220.0401 Tibold A, Thuróczy J. (2009). Progesterone, oestradiol, FSH and LH concentrations in serum of progesterone-treated pregnant bitches with suspected luteal insufficiency. Reproduction in Domestic Animals 44 Suppl 2,129-132.
Prof. dr. A. Van Soom Vakgroep voortplanting, Verloskunde en Bedrijfsdiergeneeskunde, Faculteit Diergeneeskunde, Merelbeke UGent

Hits: 79

Loading...