Voor vragen of opmerkingen kunt u altijd middels de email contact opnemen met onsEmail

Laatste Nieuws

Kynologische Termen

Posted in: Algemene Informatie
Huidige Pagina:
< Terug

Klik op de betreffende letter om naar de lijst te gaan.

  • Aalstreep: Streep donkergekleurde haren op lichte ondergrond, lopend van schoft tot staartaanzet (Mopshond).
  • Aanslaan: Blaffen aIs reactie op iets.
  • Aantrekken: Voorzichtig volgen van wild tot dit vastligt en zich niet meer verpIaatst.
  • Aardhonden: Honden die het wild onder de grond moeten zoeken.
  • Achondroplasie: Zie chondrodystrofie.
  • Achterhand: Bekkengordel en achterbenen.
  • Achterhoofdsknobbel: Kam op het achterhoofdsbeen.
  • Achtermiddenvoet: Het deel van het achterbeen tussen hak en tenen.
  • Adel: Geeft een harmonische belijning, een trotse en edele verschijning aan, zonder de bruikbaarheid te verliezen. Duidt ook op symmetrie, fierheid en zelfbewustheid.
  • Affix: Kennelnaam gebruikt als familienaam ná de roepnaam (b.v. Roepnaam van Kennelnaam). Zie ook prefix.
  • Afgezette borst: Een te sterk gekromd zwaardvormig aanhangsel van het borstbeen.
  • Africhten: Het aanleren om bepaalde oefeningen (werkzaamheden) op commando uit te voeren.
  • Agouti: Benaming om wildkleur aan te geven.
  • A.K.C.: American Kennel Club; Amerikaanse overkoepelende kynologische organisatie. Wordt ook voor de door hen uitgegeven stamboom gebruikt.
  • Allround keurmeester: Keurmeester die bevoegd is alle rassen te keuren.
  • Amandelvormig: Aanduiding voor een ovale oogvorm.
  • Anorchisme: Het niet aanwezig zijn van de testikels.
  • Appèl: Gehoorzaamheid.
  • Appelhoofd: Bol voorhoofd met vaak uitpuilende ogen.
  • Apporteren: 1) Het naar de jager brengen van wild (dood of aangeschoten). 2) Het naar de eigenaar brengen van een voorwerp.
  • Apron: Witte kraag van Schotse Herder (Collie) en Shetland Sheepdog (Sheltie).

  • Baard: Rijkelijke beharing aan de onder- en voorzijde van de onderkaak.
  • Bakken: Sterk ontwikkelde wangspieren.
  • Bananenstaart: Gecoupeerde staart die met een sterke boog omhoog en naar voren buigt (diverse terriers).
  • Bastaard: Honden uit rasloze ouderdieren of ouders van verschillend ras.
  • Beet: Manier waarop snijtanden in onder- en bovenkaak t.o.v. elkaar staan.
  • Behang: Oren plus de beharing ervan.
  • Beharing: Synoniem voor vacht.
  • Behendigheid: Tak van de hondensport waarbij een parcours met hindernissen moet worden afgelegd.
  • Bek, harde ~: Tegenovergestelde van zachte bek.
  • Bek, zachte ~: He zó voorzichtig opppakken en apporteren van wild, dat het niet beschadigd wordt.
  • Beladen schouders: Te zwaar ontwikkelde spieren aan de binnenzijde van de schouderbladen.
  • Belijning: Lijnen die het silhouet van de hond vormen.
  • Berghonden: Rassen die voor bewaking en bescherming van de kuddes in bergachtige gebieden ingezet worden.
  • Beschutter: Een brak- of windhond die de jagende honden belette het wild te doden of te verscheuren.
  • Bevedering: Lange haren aan de achterzijde van de benen, van de staart en aan de oren.
  • Bles: Witte aftekening van voorhoofd tot op de voorsnuit.
  • Bodemafstand: Afstand van het laagste punt van het borstbeen tot aan de grond.
  • Borstdiepte: Loodrechte afstand tussen schoft en borstbeen.
  • Bovenbelijning: Lijn die vanaf het achterhoofd via nek, schoft, rug, lendenen en kruis tot de staartaanzet loopt.
  • Bovenvacht: Harde, langere haren die boven de ondervacht uitsteken.
  • Bovenvoorbijten: Bij gesloten gebit staan de bovensnijtanden vóór de ondersnijtanden zonder elkaar te raken.
  • Brachiocephalen: Honden met een brede schedel (o.a. bij dogachtige honden).
  • Brakken: Lopende honden die luid blaffend het wildspoor moeten volgen (Duits: Bracke; Engels: Hound; Frans: Chien courant; Italiaans: Segugio).
  • Brand: Vaalgele tot roestrode aftekening bij donkergekleurde honden aan hoofd, borst, benen, voeten en onder de staart (o.a. Dobermann, Rottweiler, Dashond, Berner Sennenhond).
  • Breien: Zie kruisen.
  • Broek: Bevedering aan de achterbenen (tot spronggewricht).
  • Basset: Zie brakken.
  • Bat ears: Zie vleermuisoren.
  • Beefy: Een te vette, vlezige en zware croupe.
  • Belton: Schimmelpatroon bij Engelse setters. Blue belton: wit met zwarte vlekjes; Lemon belton: Wit met citroen-kleurige vlekjes; Liver belton: wit met bruine vlekjes; Orange belton: wit met oranjekleurige vlekjes.
  • Bitch: Teef (als tegenovergestelde van dog).
  • Black and tan: Zie tan.
  • Blitzen: Het zichtbaar zijn van de tanden bij een gesloten mond.
  • Bloat: Zie maagtorsie.
  • Blue and tan: Zie tan.
  • Blue belton: Zie belton.
  • Blue merle: Grijsblauw kleurpatroon met zwarte vlekjes.
  • Bone: Botsubstantie.
  • Bracke: Zie brakken.
  • Bracco: Zie staande honden.
  • Braque: Zie staande honden.
  • Brindle: Zie gestroomd.
  • Broken coat: Oude term voor ruwe, harde vacht.
  • Brush: Staart van Schotse Herder (Collie) en Shetland Sheepdog (Sheltie).
  • Burr: Zichtbare binnenzijde van het roze-oor bij de Engelse Buldog.
  • Butterfly nose: Zie vlinderneus.

  • CAC: Afkorting van ‘Certificat d’Aptitude au Championnat’. Kampioen­schaps­prijs waarvan er in principe 4 nodig zijn om de titel KAMPIOEN te verwerven.
  • CACIAG: Afkorting van ‘Certificat d’Aptitude au Championnat International d’Agility’
  • CACIB: Afkorting van ‘Certificat d’Aptitude au Championnat International de Beauté’. Kampioen­schaps­prijs om de titel INTERNATIONAAL KAMPIOEN te verwerven.
  • CACIL: Afkorting van ‘Certificat d’Aptitude au Championnat International des Courses de Lévriers’
  • CACIOB: Afkorting van ‘Certificat d’Aptitude au Championnat International d’Obéissance’
  • CACIT: Afkorting van ‘Certificat d’Aptitude au Championnat International de Travaille’. Kampioen­schaps­prijs om de titel INTERNATIONAAL WERKKAMPIOEN te verwerven.
  • Carnivoor: Zoogdier dat van vlees leeft (vleeseter). Anderen zijn de herbivoor (planteneter) en omnivoor (alleseter).
  • Chondrodystrophie: Onvoldoende of verlate verbening van het kraakbeen, waardoor misvormingen kunnen ontstaan.
  • Chocoladekleur: Voornamelijk bij jachthonden gebruikte benaming voor een donkerbruine kleur.
  • College van Beroep: Een college van 3 personen dat een beroep tegen een besluit van de Raad van Beheer behandelt en een uitspraak formuleert die voor beide partijen aIs bindend advies geldt.
  • Couperen: Het verkleinen van oorschelpen en het inkorten van de staart.
  • Cryptorchisme: Het verschijnsel dat beide testikels niet in het scrotum zijn afgedaald.
  • Caille: Wit met gestroomde platen bij Franse Buldoggen.
  • Canis: Hond.
  • Canis familiaris: Huishond.
  • Chabot: Lange haren aan borst en hals.
  • Charbonne: Gele tot roodachtige haren met zwarte haarpunten (Tervuerense Herder).
  • Chien courant: Zie brakken.
  • Chien d’arret: Zie staande honden.
  • Cobby: Zie vierkant.
  • Croupe: Zie kruis.
  • Cushion: Opgevulde wangen.

  • Dameshondjes: Vroegere benaming voor kleine gezelschapshonden.
  • Daskleurig: Patroon van kleuren dat ontstaat door een mengeling van zwarte, gele en grijze haren. Elk afzonderlijk haar kan ook deze drie kleuren bevatten.
  • Dekhaar: Lange, hardere haren van de bovenvacht.
  • Derde ooglid: Bevindt zich in de binnenste ooghoeken, is normaal donker van kleur en nauwelijks zichtbaar. Het wordt vaak aangeduid als bindvlies.
  • Dip: Inzinking in het rugprofiel vlak achter de schoft.
  • Diskwalificeren: Het niet in aanmerking komen voor een kwalificatie ten gevolge van een fout die in de standaard vermeld staat.
  • Dogachtigen: Groep van honden met brede schedels.
  • Dolichocephalen: Honden met een lange schedel (windhonden).
  • Draadhaar: Een ruwharige bovenvacht die uit zeer harde haren bestaat.
  • Draf: Een manier van voortbewegen waarbij steeds een diagonaal benenpaar het lichaam ondersteunt.
  • Driekleurig: Aanduiding voor een hond met de kleuren zwart, wit en roodbruin, zoals bij de Sennenhonden.
  • Drift: Zie meute
  • Droog: Een strak om het lichaam gespannen huid, zonder plooien en/of rimpels.
  • Drijfhond: Jachthond die als taak heeft het wild uit de dekking te drijven.
  • Dew Claws: Zie hubertusklauwen.
  • Dishfaced: Zie wipneus.
  • Dog: Reu (als tegenovergestelde van bitch).
  • Downfaced: Een in een gebogen lijn verlopende schedel, van opzij bezien van achterhoofdsknobbel tot aan de neusspiegel (Bullterrier).
  • Dudley nose: Zie vleesneus.

  • Ectropion: Het naar buiten krullen van het ooglid (een erfelijke afwijking).
  • Eénsporig gaan: Zie éénsporig gaan
  • Entropion: Het naar binnen krullen van een ooglid (een erfelijke afwijking).
  • Expositie: (tentoonstelling) Een evenement waar de ingeschreven honden op hun onderlinge schoonheid beoordeeld worden.
  • Expressie: De gezichtsuitdrukking van de hond.
  • Exterieur: De uiterlijke verschijningsvorm van de hond, die voor elk ras verschillend is.
  • Enceinte: Omrasterde ruimte op een tentoonstelling voor enkele honden tezamen.
  • Epagneul: Zie staande honden.

  • FCI: Afkorting van ‘Fédération Cynologique Internationale’, de internationale overkoepelende organisatie op kynologisch gebied.
  • Flankeren: Het systematisch (zigzaggend) afzoeken van een terrein door een jachthond.
  • Flyball: Tak van hondesport waarbij over een hindernissenparcours een balletje moet worden geapporteerd.
  • Franje: Lange beharing aan de oren.
  • Frans staan: Met de voorvoeten uitgedraaid (naar buiten gedraaid) staan.
  • Front: Meestal worden hiermee de voorbenen bedoeld. Ook vooraanzicht (borstpartij en voorbenen)
  • Faking: Aanbrengen van veranderingen aan het exterieur om de keurmeester te misleiden.
  • Fauve: Kleuraanduiding die loopt van tarwegeel tot rood-bruin.
  • Fawn: Beige- of reekleurig.
  • Field trial: Zie veldwedstrijd.

  • Gaan, gebonden ~: Het te weinig naar voren en naar achteren plaatsen van de achterbenen.
  • Gaan, nauw ~: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voorbenen en/of achterbenen.
  • Gaan, éénsporig ~:Het tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten dat hun sporen één lijn vormen.
  • Galop: Snelste wijze van bewegen, waarbij het lichaam zich regelmatig in een zwevende toestand bevindt.
  • Gangwerk: De manier waarop een hond zich voortbeweegt.
  • Garnituur: Zware wenkbrauwen, samen met snor en baard.
  • Geblokt: Zie vierkant
  • Gebonden gaan: Zie gebonden gaan
  • Gestrekt: De lengte van de hond is meer dan de schofthoogte.
  • Gestroomd: Min of meer duidelijke streep donkere haren op een lichte ondergrond.
  • Getijgerd: Onregelmatig vlekkenpatroon als bij blue merle (o.a. Dashonden).
  • G & G: Afkorting van ‘Gedrag en Gehoorzaamheid’. Tak van de hondensport waarbij de hond leert hoe zich te gedragen t.o.v. andere honden en personen, en gegeven commando’s uit te voeren.
  • Gladharig: Kort, aanliggend haar zonder ondervacht.
  • Glasoog: Oog met blauwe iris.
  • G-hond: Hond die de kwalificatie goed krijgt op exposities
  • Groep: 1) Op exposities kunnen 3 of meer honden van eenzelfde ras/varieteit als groep geshowed worden. 2) Een aantal rassen dat op grond van bepaalde kenmerken bij elkaar hoort.
  • Groepskeurmeester: Een keurmeester die bevoegd is een rasgroep te keuren (bijv. alle dogachtigen, alle wind-honden).
  • Grond beslaan, veel ~: a) In stand: benen wijd uit elkaar geplaatst. b) In beweging: ruim uitgrijpend gangwerk.
  • Gevlekt: Kleine vlekken op een witte ondergrond.
  • Griffon: Aanduiding voor ruwharige honden.

  • Haakstaart: Zodanige knik in de staartwervels dat een haakse bocht ontstaat.
  • Halfwindhonden: Windhonden met eigenschappen van brakken die de gebogen rug missen, staande oren hebben, zowel op zicht als op reuk jagen en ook apporteren.
  • Hals geven: Het blaffen of huilen van jachthonden (vooral bij brakken).
  • Hangend oor: Oor dat vlak langs het hoofd hangt.
  • Harlekijn: Witte grondkleur met grotere en kleinere zwarte vlekken zoals bij een Duitse Dog. H
  • azenrein: De eigenschap van een jachthond om onbeschoten hazen niet te achtervolgen.
  • Hazevoet: Ovale voet. De tenen zijn lang en krachtig.
  • HD: Zie heupdysplasie. Herdershonden: Groep van honden die op enige manier met vee te maken hebben.
  • Hertehals: Gebogen hals die lang en dun is (Italiaans Windhondje).
  • Heupdysplasie: Misvorming van het heupgewricht (meestal afgekort tot HD).
  • Hoeking: Hoek die gevormd wordt door beenderen of beenformaties van de ledematen.
  • Hoogbenig: Voor terriers met een normale beenlengte wordt deze term vaak gebruikt. Als de verhouding borstdiepte-bodemafstand door een ondiepe borst of lange onderarm niet optimaal is gebruikt men de term hoogbenig.
  • Hound staan: Bij rechte voorbenen staan de voeten iets naar binnen gedraaid.
  • Hubertusklauw: Vijfde teen aan de binnenzijde van het achterbeen.
  • Hackeneng: Spronggewrichten staan te dicht bij elkaar, waarbij de middenvoeten wel parallel zijn.
  • Haw: Uitgezakt onderste ooglid. (Niet te verwarren met ectropion !!).
  • Heeler: Hond die het vee opdrijft door het in de hielen (hakken) te bijten.
  • Hound: Zie brakken.
  • Houndmarked: Wit met rode aftekeningen en een zwart zadel.

  • Inschrijfformulier: Formulier om een hond voor een kynologisch evenement in te schrijven.
  • Inschrijfgeld: Het bedrag dat verschuldigd is voor deelname aan een kynologisch evenement.
  • Isabel: Een van bruin afgeleide (verdunde) vaalgele kleur.

  • Jachtknobbel: Zie achterhoofdsknobbel

  • Kampioen, Internationaal ~: Titel, verleend door de FCI na het behalen van de vereiste internationale kampioenschapprijzen (CACIB), onder vastgestelde voorwaarden.
  • Kampioen, Nationaal ~: Titel, verleend door de overkoepelende landelijke organisaties na het behalen van de vereiste kampioenschapprijzen. De voorwaarden zijn per land verschillend.
  • Kampioen, Nederlands ~: Titel, verleend door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, na het behalen van in principe vier kampioenschapprijzen, onder bepaalde voorwaarden.
  • Kampioenschapsclubmatch: Cl ubmatch van een rasvereniging waar kampioenschapprijzen en reservekampioenschapsprijzen behaald kunnen worden.
  • Kampioenschapsprijs: Zie CAC.
  • Karperrug: Sterker dan nogal gewelfde lendenpartij (Franse Buldog).
  • Kattevoet: Kleine, ronde voet.
  • Keelhuid: Ruim hangende, losse huid rond de keel.
  • Keurmeester: Iemand die op een expositie honden beoordeelt en kwalificeert.
  • K.M.S.H.: Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (Franstalig: S.R.S.H. = Société Royale Saint-Hubert). Deze is via de U.C.S.H. in de FCI vertegenwoordigd.
  • Knikstaart: Staart waarvan 2 wervels in een knik met elkaar vergroeid zijn. Knopoor: Driehoekig, hoog aangezet oor dat zodanig naar voren valt dat de gehoorgang afgesloten is.
  • Koehakkig: Spronggewrichten die niet parallel, maar naar binnen gebogen staan.
  • Koppel: Twee honden van hetzelfde ras of dezelfde variëteit, ongeacht het geslacht.
  • Kortbenig: Door verkorting van de beenderen van de ledematen zijn de benen korter dan bij de normaal gebouwde hond.
  • Kortharig: Korte bovenvacht met ondervacht.
  • Korte jacht: Jacht met het geweer.
  • Kraag: Langere, iets uitstaande vacht rond de hals.
  • Kroeshaar: Gekrulde vacht, waarbij de krullen gevormd worden door de zachte ondervacht.
  • Kruis: Laatste deel van de rug tussen darmbeenknobbels en staartaanzet.
  • Kruisen: Het kruisgewijs neerzetten van de voeten tijdens het gaan.
  • Kruisgebit: Stand van de tanden waarbij een gedeelte van de bovenkaak een schaargebit vormt en het tegenoverliggende gedeelte van de onderkaak een onderbeet is.
  • Krulhaar: Vacht die sterk krult.
  • Krulstaart: Staart die in een gesloten ring over de rug gedragen wordt.
  • Kryptorchisme: Zie cryptorchisme.
  • Kurketrekkeroor: Gedraaid, hangend oor.
  • Kurketrekkerstaart: Korte staart waarvan de wervels niet regelmatig achter elkaar, maar verdraaid en geknikt liggen.
  • Kwalificatie: Waardering van een beoordeelde hond op exposities, gegeven door een bevoegd keurmeester.
  • Kynologie: Wetenschap over de hond. Deze tem wordt ook gebruikt om de hondesport in het algemeen aan te duiden
  • Kynoloog: Kenner van honden. Algemeen wordt er ook de liefhebber van honden mee bedoeld.
  • Kameelrug: Gebogen rug, waarvan de welving te dicht bij de schoft begint.
  • Kissing spots: Kleine, roodbruine vlekjes op de wangen van de Black and Tan Terrier.

  • Laagbenig: Zie kortbenig.
  • Laaggesteld: Honden waarvan de bodemafstand kleiner is dan de borstdiepte.
  • Lachen: Aan de zijkanten optrekken van de bovenlippen.
  • Lange honden: Honden die op het zicht jagen (Windhonden).
  • Lange jacht: Jacht met honden die alleen hun gezichtsvermogen gebruiken.
  • Lange neus: Vermogen om wild op grote afstand te ruiken.
  • Langharig: Lang, aanliggend haar met dunne en zachte bovenvacht.
  • Leverkleurig: Vooral bij jachthonden gebruikte aanduiding voor een lichtere bruin tint.
  • Loboor: Bij de aanzet smal oor dat geleidelijk breder uitloopt en aan de punt afgerond is.
  • L.O.F.: Livre des Origines Français (Franse stamboom)
  • Loopsheid: Periode in de cyclus van de teef, waarin ze vruchtbaar is.
  • Lopende honden: Zie brakken.
  • Los front: Door onvoldoende stevige bespiering niet goed aanliggende en teveel bewegende schouderbladen en/of ellebogen.
  • L.O.S.H.: Livre des Origines Saint-Hubert (Belgische stamboom). Buiten het L.O.S.H. zijn er nog A.L.S.H. (Annexe au Livre des Origines Saint-Hubert) en R.I.S.H. (Registre Initielle Saint-Hubert). Alleen het L.O.S.H wordt door de FCI erkend.
  • Luid geven: Zie hals geven.
  • Laufhund: Zie brakken.
  • Lay back: Teruggeslagen neus (Pekingees).
  • Level: Op één lijn; gebruikt voor rug en gebit.
  • Lemon belton: Zie belton.
  • Liver and tan: Zie tan.
  • Liver belton: Zie belton.

  • M-hond: Hond die op exposities de kwalificatie matig krijgt.
  • Maagtorsie: Een draaiing van de maag om de lengte-as, waardoor het spijsverteringskanaal afgesloten wordt.
  • Mantel: Kleur die het lichaam bedekt met uitzondering van de benen, de hals en de staart.
  • Markeren: Het opmerken van de juiste plaats waar aangeschoten wild beland en deze plek onthouden.
  • Masker: Donker gekleurde voorsnuit van lichter gekleurde honden, meestal zwart maar soms ook anderskleurig.
  • Meute: Groep brakken die wild achtervolgen totdat het uitgeput is.
  • Min: Een teef die pups van een andere moederhond voedt.
  • Monorchisme: Het niet ingedaald zijn van één testikel.
  • Muzzle: Voorsnuit.

  • Naakthonden: Honden die volledig haarloos zijn, óf alleen op het hoofd, aan de benen en op de staart behaard zijn.
  • Nauw gaan: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voor- en/of achterbenen tijdens de beweging.
  • Neusrug: Deel van de neus dat loopt van de neusspiegel tot aan de stop.
  • Neusspiegel: Voorste, onbehaarde deel van de neus, waarin de neusgaten liggen.
  • N.H.S.B.: Nederlands Hondenstamboek (Nederlandse stamboom)

  • Ondergeschoven staan: In stand de achterbenen te ver onder het lichaam plaatsen.
  • Ondervacht: Vettige en wollige korte haren, die direct tegen de huid liggen.
  • Onderbijten: De tanden van de onderkaak staan vóór die van de bovenkaak.
  • Ondervoorbijten: Zie onderbijten.
  • Onzuivere brand: Zie roest.
  • Oorbellen: Lange haren met zwarte haarpunten bij Kooikerhondje.
  • Open oor: De gehoorgang wordt niet bedekt door de oorschelp.
  • Open vacht: De bovenbeharing (bovenvacht) vormt niet een gesloten dek.
  • Otterstaart: Korte, rechte, zeer dikke staart aan de wortel, die geleidelijk dunner wordt naar de staartpunt (Labrador Retriever).
  • Overbouwd: Het kruis ligt hoger dan de schoft.
  • Overbijten: Zie bovenvoorbijten.
  • Occiput: Zie achterhoofdsknobbel.
  • Orange belton: Zie belton.
  • Overshot: Zie bovenvoorbijten.

  • Palingstaart: De vorm van een otterstaart maar aan de zijkanten sterker behaard met uitstaande haren waardoor een platte indruk ontstaat (Chihuahua).
  • Parforceband: Halsband voorzien van (scherpe) ijzeren, naar binnen gerichte punten.
  • Pigment: Kleurstof die zich in de huid en vooral in de haren bevindt.
  • Platen: Grote, gekleurde vlekken op een lichte ondergrond.
  • Poolhonden: Een groep van rassen uit het Noordpoolgebied die overeenstemmen in bouw, hoofd, vacht, oor- en staartdracht.
  • Porseleinoog: Zie glasoog.
  • Potoog: Bolrond oog, dat tussen de oogleden naar voren staat (bijv. Mopshond).
  • Prefix: Kennelnaam die vóór de roepnaam van de hond staat (b.v. Kennelnaam’s Roepnaam). Zie ook affix.
  • Prikoor: Puntig, rechtopstaand oor.
  • Pronk: Streep van haren op de rug die in tegenovergestelde richting van de andere haren groeit.
  • Parforce jacht: Jacht met lange honden.
  • Pointer: Zie staande honden.
  • Powder puff: Een op het gehele lichaam behaarde naakthond.

  • Raad van Beheer: Verkorte naam van de vereniging Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, het overkoepelend orgaan van de Nederlandse kynologie. Deze is op zijn beurt weer lid van de FCI.
  • Raad van Discipline: Een door de Raad van Beheer ingesteld rechtscollege dat strafbare feiten behandelt.
  • Ramsneus: Een iets naar boven gebogen neusrug.
  • Rashondenlogboek: Een door de Raad van Beheer verstrekt boekje waarin gegevens en behaalde resultaten geregistreerd kunnen worden.
  • Raspunten: Een lijst van eigenschappen waaraan honden moeten voldoen die tot een bepaald ras horen.
  • Rattestaart: Een dunne, onbehaarde staart.
  • Retrievers: Een groep van hondenrassen met een speciale aanleg voor het apporteren van wild.
  • Ring: Afgebakende ruimte op exposities waar honden gekeurd worden.
  • Ringcommissaris: Iemand die onder verantwoordelijkheid van de ringmeester administratieve werkzaamheden verricht met betrekking tot de keuring.
  • Ringmeester: Iemand die verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de ring tijdens de keuringen en toeziet op de naleving van de betreffende reglementen.
  • Ringstaart: Een zodanig gebogen gedragen staart dat de punt de rug raakt, waardoor er een gesloten ring ontstaat.
  • Roest: Donkere vlekjes in de vaalgele tot bruinrode aftekening van het tan-patroon>
  • Rollend gangwerk: Een schommelende beweging van het lichaam, waardoor de indruk ontstaat dat de hond zich deinend voortbeweegt (Pekingees).
  • Roofvogeloog: Een geelgekleurde iris met felle expressie. Roze-oor: Een naar achteren gevouwen, open gedragen oor.
  • Ruighaar: Zie ruwhaar.
  • Ruwhaar: Een bovenvacht van stugge, lichtgegolfde haren met wollige, vettige ondervacht.
  • R.v.B.: Zie Raad van beheer
  • Rijst met krenten: Benaming voor een Dalmatische Hond, waar op de witte ondergrond ronde, zwarte vlekken voorkomen.
  • Rijst met rozijnen: Benaming voor een Dalmatische Hond, waar op de witte ondergrond ronde, bruine vlekken voorkomen.
  • Racy: Op snelheid gebouwd.
  • Ridge: Zie pronk.
  • Roach: Zie karperrug.

  • Sabelstaart: Recht naar beneden hangende staart waarvan het einde wat ombuigt.
  • Schaargebit: Gebit waarbij de bovensnijtanden als een schaar sluiten over die van de onderkaak.
  • Scheppen: Het voorwaarts zwaaien van de benen.
  • Scherp: Een hond die de neiging tot bijten vertoont.
  • Schimmel: Gemêleerde witte met gekleurde haren.
  • Schoft: Dat deel van het lichaam waar de nek overgaat in de rug. Hiervoor worden de toppen van de schouderbladen aangehouden.
  • Schofthoogte: Lengte van de loodlijn van de schoft tot op de bodem.
  • Schotschuw: Angst voor het geluid van schoten en andere harde, plotselinge geluiden.
  • Sikkelhak: Een schuin naar voren, in plaats van verticaal, neergezette achtermiddenvoet.
  • Sikkelstaart: Een sterk gekromde staart die nog juist geen gesloten ring vormt.
  • Sinusharen: Tastharen. Lange, dikke, zeer harde haren aan het hoofd, die aan de wortel omgeven zijn door veel bloedcapilaren en zenuwuiteinden.
  • Slips: Strook uit het keurboek waarop de kwalificaties, plaatsingen en kampioenschapprijzen vermeld staan.
  • Snoeren: Zie éénsporig gaan.
  • Spaniels: Jachthonden die oorspronkelijk weden gebruikt bij de jacht met het vangnet (vogels) en het wild bij de valkenjacht.
  • Spioen: Vroeger de benaming voor een jachthond die de jager behulpzaam was bij de jacht met de valk, net, windhond of geweer.
  • Spiraalstaart: Staart met een dubbele krul die over de dij hangt (Wetterhoun)
  • Spreidvoeten: Voeten waar de tenen niet goed aaneengesloten zijn.
  • S.R.S.H.: Zie K.M.S.H.
  • Staande honden: Jachthonden die aangeven waar het wild zich bevindt. Duits: Vorstehhund; Engels: Pointer; Frans: Chien d’arret – braque (kortharig) – epagneul (langharig); Italiaans: Bracco.
  • Stamboek: Boek waarin de afstamming van rashonden wordt opgenomen.
  • Stamboom: Een door de Raad van Beheer, of een buitenlandse, erkende instantie, afgegeven bewijs over de afstamming van een rashond.
  • Standaard: Zie raspunten.
  • Stap: Langzame manier van bewegen waarbij de benen stuk voor stuk worden neergezet.
  • Steil: Te weinig of te open hoeking van de beenderen van voor- en/of achterhand.
  • Steppen: Het te hoog optillen van de voorbenen.
  • Stokhaar: Kort, hard, grof haar.
  • Stop: Overgang van neusrug naar voorhoofd.
  • Strippen: Zie trimmen.
  • Stuwen: Het krachtig afzetten met de achterbenen tijdens het bewegen.
  • Sable: Grijze, bruine of oranjerode vacht, al dan niet met zwarte haarpunten.
  • Saddle: Zie zadel.
  • Scowl: Zware frons als bij Chow Chows.
  • Screw tail: Zie kurketrekkerstaart.
  • Segugio: Zie brakken.
  • Selfmarked: Een geheel gekleurde hond met eventueel kleine witte aftekeningen aan borst, voeten en staart.
  • Single tracking: Zie éénsporig gaan.
  • Snap dog: Het venijnig uitvallen naar andere honden door een Whippet.
  • Snipy: Voorsnuit of vang die te spits is.
  • Sound: Een term voor een hond die soepel beweegt, in optimale conditie verkeert en waarvan alle onderdelen goed bij elkaar passen.
  • Split eye: Een oog waarin twee kleuren voorkomen; meestal een driehoekig blauw vlekie in een bruine iris.
  • Spring: Ribwelving
  • Stöbern: Het opstoten en voor de jager brengen van het wild.
  • Sworra: Een groep van 3 barsois op wolvejacht.

  • Tanggebit: De onder- en bovensnijtanden staan precies op elkaar.
  • Telgang: Het gelijktijdig naar voren bewegen van beide linker- danwel rechterbenen.
  • Terrier: Een groep honden die als taak had rooftuig op te ruimen en daarvoor ook onder de grond werkte.
  • Tipoor: Staand oor, waarvan het bovenste gedeelte naar voren valt.
  • Tonvormig: Ribben die sterk gerond verlopen.
  • Toontreden: Zie hound staan.
  • Trimmen: Het plukken van de bovenvacht van ruwharige honden.
  • Tulpoor: Zie vleermuisoor.
  • Type: De karakteristieke kenmerken van een bepaald ras.
  • Tan: Geelachtige tot roodbruine aftekeningen aan het hoofd, op de borst, aan de benen en de onderzijde van de staart. Black and tan: zwart met tanaftekeningen; Blue and tan: blauw/blauwgrijs met tanaftekeningen; Liver and tan: bruin met tanaftekeningen.
  • Ticking: Kleine vlekjes op een witte ondergrond.
  • Top knot: Rijkelijke schedelbeharing die een kuif vormt (Dandie Dinmont Terrier).
  • Totverbellen: Huilend geluid van staande jachthonden die een niet te apporteren stuk grootwild hebben gevonden.
  • Totverweisen: Na het vinden van een aangeschoten stuk grootwild terugkomen bij de jager en hem naar de plek brengen waar het wild ligt.
  • Tricolo(u)r: Zie driekleur.
  • Turnup: Opgebogen onderkaak (Engelse Buldog).

  • U-hond: Hond die op exposities de kwalificatie uitmuntend behaalt.
  • U.C.S.H.: Union Royale Cynologique Saint Hubert (Belgische tegenhanger van de Raad van beheer)
  • Uitdrukking: Zie expressie
  • Undershot: Zie onderbijten.

  • Vang: Voorsnuit.
  • Varkensgebit: Een sterk bovenvoorbijtend gebit.
  • V.D.H.: Verband für das Deutsche Hundewesen (Duitse tegenhanger van de Raad van beheer). Wordt ook voor de stamboom gebruikt.
  • Veldwedstrijd: Een wedstrijd om de gebruikswaarde van een jachthond in het veld vast te stellen.
  • Vierkant: Een hond met een schofthoogte die gelijk is aan zijn lengte.
  • Vinnen: Rijkelijke beharing aan de voeten.
  • Vlag: Staartpluim.
  • Vleermuisoor: Staand oor, breed aan de basis en aan de bovenzijde afgerond.
  • Vleesneus: Roze gekleurde neus.
  • Vlinderneus: Neus waar het pigment gedeeltelijk afwezig is.
  • Vogelhonden: Honden die gebruikt worden bij de jacht op veerwild.
  • Voorborst: Het gedeelte van het borstbeen dat vóór het boeggewricht uitsteekt.
  • Voorhand: De schoudergordel met de voorbenen.
  • Vioolklier: Zie Wolfsteken
  • Vorstehhund: Zie staande honden.

  • Wammen: Zware keelhuidplooien (Bloedhond).
  • Weven: Zie kruisen.
  • Windhonden: Groep van honden die op het zicht jaagt.
  • Wipneus: Enigszins hol verlopende neusrug (Pointer).
  • Wisselneus: Een van kleur veranderende neus.
  • Wolfsklauw: Zie hubertusklauw.
  • Wolfsteken: Is een kliergebied dat op eenderde afstand van de aanzet van de staart, op de bovenkant voorkomt, ook wel de vioolklier genoemd met als doel bij sexuele activiteit (geur en horrmoonproductie).
  • Wall eye: Zie glasoog.
  • Wheaten: Tarwekleurig.
  • Whiskers: Baard bij Airedale, Lakeland en Welsh Terrier.

  • Zadel: Zwart kleurpatroon in de vorm van een zadel (Airedale Terrier).
  • Zadelrug: Slappe, doorgebogen rug. ZG-hond: Hond die op exposities de kwalificatie zeer goed behaalt.
  • Zwaardstaart: Lange staart die practisch recht naar beneden gedragen wordt.
  • Zwanehals: Zie hertehals. Zweethonden: Honden die een zweetspoor volgen.
  • Zweetspoor: Een spoor van bloeddruppels dat door een aangeschoten stuk wild is achtergelaten.
  • Zijdehaar: Zeer lang zacht haar waarbij onderhaar en bovenhaar bijna niet te onderscheiden zijn.

 

 

Hits: 105

Laatst geupdate op: februari 11, 2018
Loading...
error: Content is protected !!