Voor vragen of opmerkingen kunt u altijd middels de email contact opnemen met onsEmail

De 7 mythes rond de vruchtbaarheid van de hond

Posted in: Dracht en Bevalling

Bron: Onze Hond 12/2006
Auteur: Maarten Kappen

Er zijn in het kader van de vruchtbaarheid van de hond nogal wat denkbeelden bij velen die door de tijd heen als waarheid worden aangenomen zonder dat daarvoor een logische verklaring is, laat staan een wetenschappelijk bewijs. Een aantal belangrijke aspekten van de vruchtbaarheid bij de reu en de teef worden besproken.

De 7 mythes:

  1. Natuurlijke dekking is beter dan kunstmatige inseminatie (KI)
  2. Een reu moet koppelen om te bevruchten
  3. Het minutenlang optillen van de achterhand van de teef is belangrijk na een dekking of KI
  4. Bloedbijmenging in sperma van de reu is desastreus voor de vruchtbaarheid
  5. De teef moet op dit precieze tijdstip gedekt worden!
  6. Progesterontesten geven een absolute zekerheid op dracht
  7. Een kweek van de vagina is belangrijk zowel voor de te dekken teef als voor de dekreu

De vruchtbaarheid van de reu

Een reu met een goed libido, die normaal in staat is tot het uitvoeren van een dekking, een goede kwaliteit sperma heeft, die nakomelingen heeft verwekt, beschouwen we als een vruchtbare reu. Al deze eigenschappen zijn wel een momentopname, afhankelijk van meerdere faktoren waaronder leeftijd, zijn deels subjektief en moeten dus met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Het traditionele spermaonderzoek dat uit microscopisch onderzoek naar beweeglijkheid, concentratie, morfologie en cellenbijmenging bestaat heeft een beperkte waarde. Zeker als we eigenschappen als invriesbaarheid van sperma of redenen voor sub- of infertiliteit willen bepalen. Inmiddels bestaan er veel meer mogelijkheden. De computer assisted semen analysis (CASA) is er een van. Dit is een methode waarbij allerlei eigenschappen qua beweging en opbouw van individuele spermacellen computermatig onderzocht en opgeslagen kunnen worden. .Dankzij deze nieuwe methodieken is het concept van sperma te zien als homogeen verlaten.. Sperma uit een en dezelfde sprong bestaat uit clusters van verschillende spermacellen met verschillende eigenschappen en verschillende mogelijkheden tot bevruchting. Men noemt dit de heterogene benadering. Naast een hoge mate van objectiviteit en herhaalbaarheid van de CASA, blijkt het hiermee mogelijk om de invriesbaarheid van sperma beter te kunnen voorspellen.

De eerder genoemde cellenbijmenging kan bestaan uit ontstekingscellen, prostaatcellen, urinewegcellen, maar ook bloed. Dit kan afkomstig zijn van een beschadiging van de penispunt, uit de urineweg of prostaat. Uit onderzoek is gebleken dat tot 10% bloed bij vers of vers verdund sperma geen enkel effekt heeft op het bevruchtend vermogen. Als het afkomstig is van een prostaatontsteking mag je verwachten dat er een potentieel negatief effekt is. De invriesbaarheid van sperma wordt sterk negatief beïnvloed door bloedbijmenging.

Bij de natuurlijke dekking deponeert de reu zijn sperma in het voorste gedeelte van de vagina en moeten de spermieën de cervix (baarmoedermond) nog passeren om via de baarmoeder tot in de eileiders en tuba te komen, alwaar de bevruchting plaats vindt. De reu ejaculeert in drie frakties; een voorfraktie die dient als reiniging, de tweede spermarijke fraktie, en de derde en grootste prostaatfraktie. Respectievelijk zijn deze 4ml, 2 ml en 15 ml voor een reu van gemiddelde grootte. Bij de gekoppelde reu wordt met behulp van de prostaatvloeistof de spermarijke fraktie door de cervix in de baarmoeder gespoeld. Uit onderzoek blijkt dat er geen verschil in bevruchtingsresultaten is tussen groepen teven waarbij na de dekking of inseminatie de achterhand respectievelijk niet, 1 minuut of 10 minuten werd opgetild. Niet doen dus.

Bij kunstmatige inseminatie wordt alleen gebruik gemaakt van de tweede spermarijke fraktie, omdat bijmenging van de andere frakties vermindering van resultaat geeft. Een niet gekoppelde reu kan, mits hij deze tweede fraktie weet in te brengen door het in de vagina houden van de penis, toch bevruchten. Bij kunstmatige inseminatie wordt tegenwoordig rechtstreeks in de baarmoeder geïnsemineerd, waardoor minder verlies optreedt. De resultaten van KI versus natuurlijke dekking zijn dan op zijn minst gelijk bij gebruik van vers of vers-verdunde goede kwaliteit sperma. Bij gebruik van ingevroren sperma wordt door kwaliteitsverlies van het sperma het resultaat gemiddeld 25% minder, zowel qua kans op dracht als qua nestgrootte.

Er zijn een tweetal methodes om rechtstreeks in de baarmoeder te insemineren, te weten de Noorweegse catheter methode, waarbij de cervix uitwendig door de buikwand wordt vastgepakt en de punt van de metalen catheter via de vagina en vervolgens door de cervix tot in de baarmoeder wordt gebracht. De andere methode is om met behulp van een endoscoop, camera en flexibele catheter de cervix zichtbaar te passeren, en de catheter tot in de baarmoederhoorn te schuiven. Beide methodes vergen veel ervaring.

De vruchtbaarheid van de teef

Als een teef normaal bevrucht kan worden en een normaal aantal levensvatbare nakomelingen produceert kunnen we spreken van een vruchtbare teef. Juist bij een diersoort die slechts een of enkele keren per jaar bevrucht kan worden is het vaststellen van het tijdstip of beter gezegd de periode waarin dit kan gebeuren een hele belangrijke faktor.

Er zijn vele methodes om de optimale dekperiode te benaderen. De eenvoudigste is niets te doen en reu en teef bij elkaar te laten en het hen zelf uit te laten zoeken. Dat is qua hedendaags dekmanagement veelal niet mogelijk en ook nog enigszins onzeker. Een andere methode is te letten op zwelling van de vulva, bloedverlies van de teef of het staan en opzij houden van de staart. Deze symptomen zijn ook verre van betrouwbaar en correleren matig met de optimale periode. Een uitstrijkje van de cellen van de wand van de vagina kan een indruk geven van het stadium van de cyclus. Dit was een tot recent veel gebezigde methode met een beperkte zekerheid. Het met een vaginoscoop inspekteren van het slijmvlies van de vagina is weliswaar zekerder, en biedt ook nog gelegenheid tot het vaststellen van eventuele (anatomische) afwijkingen, maar kent ook zijn beperking. Het meten van het glucose gehalte of elektrisch geleidend vermogen van de vagina, hetgeen in de praktijk ook gebeurt, is volstrekt onbetrouwbaar.

Het meten van het progesterongehalte in het bloed geeft daarentegen een nauwkeurige benadering van de vruchtbare periode en dit onderzoek wordt door diverse praktijken dan ook aangeboden. In de rustfase is het progesterongehalte in het bloed van de teef kleiner dan 0,5 ng/ml. Het hormonale patroon van de teef is bijzonder omdat reeds voor het moment van de ovulatie (eisprong) de progesteronconcentratie in het bloed gaat stijgen. Deze ovulatie wordt 48 uur tevoren opgewekt door een pulsafgifte vanuit de hersenen van Luteiniserend Hormoon (LH). Het moment van ovulatie valt bij de meeste teven samen met een progesteronwaarde van 6.5 ng/ml.

De ovulatie is het centrale eikpunt van de vruchtbare periode. Deze ovulatie duurt ongeveer een dag. Door de benodigde tijd voor rijping van de eicellen en de tevoren benodigde rijping van spermacellen na dekking of inseminatie en de levensduur van zowel rijpe eicellen als spermieën strekt de optimale periode zich uit van 1 tot 4 dagen na de ovulatie. Bij gebruik van ingevroren sperma waarvan de levensduur ongeveer 1 dag is, tegenover vers sperma met een minimale levensduur van 3-5 dagen, insemineren we bij voorkeur op dag 3 en 4.

Om te spreken van één enkel optimaal moment van bevruchting bij de teef getuigt van onwetendheid met de werkelijke gang van zaken.

Het ovulatietijdstip kan tevens en wel zeer nauwkeurig bepaald worden met een bloedtest om de pulsafgifte van LH vast te stellen. We weten dat precies 48 uur later de ovulatie plaats vindt. Het afnemen van bloed hiervoor dient tweemaal daags te geschieden en is kostbaar. Daarnaast is er de mogelijkheid middels het maken van een echo van de ovaria het moment van eisprong in 90% van de gevallen direkt aan te tonen. Hiervoor is ervaring en hoge kwaliteit echoapparatuur nodig.

Deze laatste twee methodieken zijn aan te raden in geval van gebruik van diepvriessperma of subfertiele dieren. Er is overigens een nauwkeurige relatie tussen het moment van de eisprong en de te verwachten werpdatum: 63 dagen + of – 1 dag.

Wat betreft de progesterontesten dient men voor ogen te houden dat er een groot verschil is in testmethodes en hun respectievelijke accuratesse. Momenteel geldt als meest betrouwbaar en nauwkeurig de bepalingen met de Immulite. Verwarrend kan zijn het feit dat men voor de uitslagen gebruik kan maken van een tweetal eenheden: ng/ml en mmol/liter. De verhouding tussen beiden is 1 : 3. Progesterontesten geven meer zekerheid doch nooit een garantie op drachtigheid!

Het breed ingeburgerde fenomeen van het maken van een kweek uit de vagina vóór dekking of het zonder kweek preventief geven van antibiotica aan de te dekken teef is op zijn minst zeer twijfelachtig. Er bestaat een normale in evenwicht zijnde vaginaflora welke door gebruik van antibiotika negatief beïnvloed kan worden. Ook het sperma zelf is gevoelig voor een groot aantal soorten antibiotika. Bacteriële vaginitis of metritis is slechts zelden een reden voor verminderde vruchtbaarheid. Dekinfekties in de strikte zin van het woord komen in ons land ook (nog) niet voor. Alleen bij subfertiele teven is er een indicatie voor het maken van een kweek

Bij onze rashonden worden we de laatste jaren in toenemende mate geconfronteerd met vruchtbaarheidsproblemen. De gouden regel bij de teef waarbij wordt beweerd dat deze optimaal vruchtbaar is en het beste gedekt kan worden op het moment dat het bloeden stopt, gaat in veel gevallen al niet meer op.

De periode tussen de loopsheden is ook sterk variabel. tussen de 3 en de 14 maanden is wel de spreiding die we hierin zien. Enerzijds zien we soms geen bloedverlies en anderzijds in bepaalde gevallen wel tot 3 weken lang. De reu ontkomt er ook niet aan. Het aantal reuen dat niet of nauwelijks wil dekken neemt toe. het al op relatief jonge leeftijd minder vuchtbaar of zelfs steriel worden van de reu is bij enige rassen bekend.

Dekking

Uit allerlei onderzoekingen komt naar voren dat veruit de belangrijkste reden voor onvruchtbaarheid is gelegen in het feit dat de teef niet op het juiste moment gedekt wordt. het is overigens beter om te spreken over de juiste periode dan over het juiste moment. Doorat alle eitjes niet ineens vrijkomen maar in een tijdsbestek van ongeveer 48 uur, ieder eitje een delings- en rijpingstijd nodig heeft en het sperma van de reu minimaal 3 dagen goed blijft in de teef na dekking, heeft de hond qua vruchtbarheid nogal wat speelruimte. D vruchtbare periode kan dus wel een week of langer zijn. Om echter zo goed mogelijk te scoren beschouwen we deze periode wat korter. het blijkt dat de optimale periode begint kort na het moment van de eisprong, na 2 dagen. De eisprong wordt simpelweg opgewekt door een piekafgifte vanuit de hersenen van een hormoon genaamd LH (luteiniserend hormoon). Deze afgifte vindt in een tijdsbestek van 24 uur plaats en is in het bloed te meten. Idealiter zou je dit willen controleren en meten. doordat het zo eenmalig en pieksgewijs optreedt en direct daarna weer to zeer lage waarden daalt, moet je dus vaak bloed afnemen om hem niet te missen. Dat is praktisch niet haalbaar.

Vandaar dat momenteel een andere bepaling gebruikt wordt om de optimale periode te benaderen. Vlak voor en tijdens de eisprong begint er namelijk een geleidelijke stijging van de productie van het vrouwelijk geslachtshormoon progresteron door de eierstok. In de rustfase is deze tussen de 0 en 1 ng/ml. We zien nogal wat variatie in de snelheid van stijging, je kunt dus het beste wachten met een dekking totdat je minimaal 10 ng/ml hebt gevonden. het beste is dan om de teef twee keer te laten dekken met een tot een anderhalve dag tussenruimte. Hiermee vergroot je duidelijk de resultaten.

Ook zijn er in de handel verkrijgbare strookjes papier om de zuurgraad van de vagina te meten of het suikergehalte, welke ik beiden nog wel eens tegen kom in de praktijk. Dit is geen betrouwbare methode om ook maar iets te kunnen bepalen in relatie tot de vruchtbare periode. Anders ligt het bij het aanwezig zijn van een zoekreu. Sommige reuen zijn zeer selectief qua periode van dekking. Het kan mede een aanwijzing zijn, echter ook hier zijn uitzonderingen zodat dit niet altijd een betrouwbaar gegeven is.

Virus

Een groeiend probleem is het voorkomen van Herpes Canis infecties Dit is een virus dat met name via direct contact wordt overgebracht. Dus door snuffelen aan elkaar en uitvloeiing vanuit de vagina. Pups kunnen al in de baarmoeder worden besmet, vooral in het laatste gedeelte van de dracht. Maar ook via de luchtwegen kan het overgebracht worden, Herpes kan namelijk een onderdeel van het kennelhoest syndroom zijn. Ook door middel van een dekking kan het virus worden overgebracht. In de geslachtsorganen van de teef kan het virus zich ophouden en in tijden van verminderde weerstand vrijkomen. Het virus gedijt het beste enige graden onder de lichaamstemperatuur, vandaar de affiniteit voor slijmvliezen van neus, mond en vulva en voorhuid. Op shows, trainingen, in pensions, bij dekkingen en andere Œ contactplaatsen kan deze infectie worden opgelopen. Door bloedonderzoek op antistoffen tegen dit virus kan worden aangetoond of de desbetreffende hond ooit geïnfecteerd is geweest. Het blijkt dat in kennels waar de honden antistoffen tegen het Herpes virus hebben er meer problemen zijn met de vruchtbaarheid. Dat kan zich uiten in het totaal niet drachtig worden, kleinere nesten, doodgeboren pups, of vroege sterfte na de geboorte (meestal in de eerste 3 weken).

Het probleem in de praktijk is dat je, behalve hygiënische maatregelen om de kans op contactinfecties te verkleinen, niets kunt doen. Vooral het scheiden van de teven die drachtig zijn en pas geworpen hebben van de rest van de kennel is van belang. Er is geen preventieve enting op de markt. Wellicht dat deze nog zal komen. Je ziet dan ook dat in een kennel besmet met het Herpes virus soms jarenlang ernstige vruchtbaarheidsproblemen zich voor kunnen doen. Heel frustrerend enerzijds omdat je het niet altijd direct kunt bewijzen, en anderzijds omdat de honden de infectie zelf moeten overwinnen.

Bacteriële infecties

Een andere groep oorzaken waar veel over geschreven en gesproken wordt is die van de bacteriële infecties. In de fokkerij meent men in het algemeen dat dit een belangrijk probleem is. Er worden veel bacteriekweken van het vaginaslijmvlies gemaakt, dus niet van de baarmoeder, er wordt veel behandeld, soms zelfs naar analogie van andere diersoorten gespoeld(?!). Sommigen zijn overtuigd dat dit een vast onderdeel van de normale patroon rond de dekking moet zijn. Ik denk niet dat dit bij de jonge, gezonde, normaal cyclische teef standaard dient te gebeuren, en we kunnen dit beperken tot de teven met herhaalde vruchtbaarheidsproblemen.

De bacteriën die gekweekt worden zijn allen van een type dat normaal in de vagina voorkomt. Deze zijn bij de gezonde hond met elkaar in een soort evenwicht. Als een van hen echter gaan overheersen dan kan dat een oorzaak van vruchtbaarheidsproblemen zijn. Aangegeven wordt dat beta-hemolytische streptokokken, stafylokokken, E. coli en Pasteurella Multocida , de belangrijkse probleemveroorzakers kunnen zijn. In de Amerikaanse literatuur noemt men ook de lastig te kweken mycoplasmata. Deze laatste zouden in incidentele gevallen ook een rol kunnen spelen.

Wordt er een overheersende bacteriesoort gekweekt, dan wordt vervolgens bepaald welke antibiothicum goed geschikt is om deze te bestrijden en wordt de teef hiermee voldoende lang behandeld. Dit betekent dat men een tablettenkuur geeft en niet (de vagina) gat spoelen ! De enige echte bacteriële dekinfectie is de Brucelle Canis infectie. Dat wil zeggen dat dit een specifiek door dekking overgebrachte infectie is die onvruchtbaarheid en verwerpen kan veroorzaken. Deze komt officieel in Nederland niet voor, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten, doch bij geïmporteerde honden moet men wel opletten ! Hiervoor zijn ook bloedtesten beschikbaar.

Afwijkingen

Als laatste wil ik nog naar voren brengen dat er een serie al dan niet erfelijke en/of aangeboren anatomische afwijkingen zijn bij de teef die veelal niet als jonge hond worden opgemerkt, maar wel op moment van dekking een rol kunnen spelen. Hiervan is een van de meest voorkomende de vaginavernauwing. Deze staat de natuurlijke dekking in de weg en kan een zekere erfelijke achtergrond hebben, zodat het fokken hiermee dient te worden afgeraden. Zo ook met het dubbel aangelegd zijn van baarmoedermond en zelfs gedeeltes van de vagina. Tweeslachtigheid in verschillende vormen zien we incidenteel bij bepaalde rassen.

Auteur: Dr. Maarten Kappen

Resorptie/abortus
Bij een verstoorde dracht kunnen de pups tot aan de 33e dag geresorbeerd worden; daarna treedt abortus op. Bij resorptie worden de vruchten geheel ‘teruggenomen’ en zal men weinig of niets waarnemen bij de teef.
Bij abortus ziet men vaak een groene of zwarte uitvloeiing met vruchtdelen.

Mogelijke oorzaken zijn:

  • Zeer slechte conditie teef
  • Foetale defecten
  • Orgaanafwijkingen teef (bijv. hartgebrek)
  • cysteuze endometrium hyperplasie (CEH)
  • Afwijkende eierstokken
  • Infecties (bacteriën, virussen)
  • Trauma overgehouden van de dekking

Een baarmoederontsteking bij honden ontstaat onder invloed van hormonen uit een zogenaamde Cysteuze Endometrium Hyperplasie (CEH). Onder invloed van progesteron dat na elke ovulatie (= eisprong) door de eierstokken geproduceerd wordt, kan het baarmoederslijmvlies (= endometrium) zich gaan verdikken (= hyperplasie) en cysteus worden. Als dit veranderde slijmvlies ontstoken raakt, dan ontwikkeld zich hieruit een baarmoederontsteking. Dit kan een gevaarlijke situatie opleveren voor de teef, vooral als de baarmoedermond gesloten is waardoor de pus niet weg kan (= pyometra). In dit geval is zelfs een aantasting van de nieren of het ontstaan van een buikvliesontsteking mogelijk. De kans op een baarmoederontsteking wordt groter naarmate de teef vaker loops is geweest (herhaalde invloed van progesteron).

Hits: 29

Read More

Eenvoudige berekening van het inteeltcoëfficiënt

Posted in: Dracht en Bevalling

Hoewel er computerprogramma’s zijn die het inteeltcoëfficiënt, gebaseerd op de stambomen die in een database zijn ingevoerd, automatisch kunnen berekenen, is het nog steeds handig in staat te zijn de inteelt van minder gecompliceerde stambomen handmatig te berekenen. Hieronder treft u een korte omschrijving aan hoe het inteeltcoëfficiënt van een stamboom te berekenen, door middel van de padcoëfficiënt methode.

De Padcoëfficiënt Methode

Begin met het tekenen van een “schematische stamboom”, waarin elk individu maar één keer voorkomt. De pijlen moeten van de ouders naar het nageslacht wijzen en altijd naar beneden of diagonaal naar beneden wijzen.

Voorbeeld 1

Example 1
Voorbeeld 1: Normale stamboom en schematische stamboom.

In de schematische stamboom zoeken we naar alle paden, die van de ene naar de andere ouder lopen, zonder een individu meer dan één keer te passeren. Van elk pad tellen we het aantal individuen dat erbij betrokken is. De bijdrage van elk pad aan het inteeltcoëfficiënt is de macht ½ tot het aantal individuen dat betrokken is bij het pad.

Van de schematische stamboom in voorbeeld 1 lopen dan twee paden van de ene naar de andere ouder:

CAD -> (1/2)³ = 1 / (2 x 2 x 2) = 1/8
CBD -> (1/2)³ = 1 / (2 x 2 x 2) = 1/8

Inteelt = 1/8 + 1/8 = 1/4 = 0.25 = 25%

 

Als de gemeenschappelijke voorouder, d.i. waar het pad draait en weer naar beneden gaat, ingeteeld is, moeten we daar rekening mee houden. (In de twee paden in het voorbeeld hierboven zijn de gemeenschappelijke voorouders onderstreept.) Bereken de inteeltcoëfficiënt van de ingeteelde gemeenschappelijke voorouder door van de padcoëfficiënt methode gebruik te maken. Voeg 1 toe aan dit inteeltcoëfficiënt en vermenigvuldig met de bijdrage, die de uitkomst is van het desbetreffende pad.

Als dus het aantal individuen langs een pad n is en de inteelt coëfficiënt van de gemeenschappelijke voorouder F is, zal de totale bijdrage van de inteeltcoëfficiënt (1/2)^n x (1+F).

De som van de bijdragen van alle paden is dan de inteeltcoëfficiënt.

 

Voorbeeld 2

Example 2
Voorbeeld 2: Normale stamboom en schematische stamboom.

De bestaande paden zijn BDC, BDFEC, BEFDC, BDEC, BEDC, BEC.

De gemeenschappelijke voorouder D is ingeteeld en de schematische stamboom voor hem ziet er als volgt uit:

Example 2b
Schematische stamboom voor D

De inteelt in D is dan (1/2)² = 1/4.

De bijdrage van het inteeltcoëfficiënt van elk pad zal zijn:

Pad n F (1/2)^n x (1+F) totaal
BDC 3 1/4 (1/2)³ x (1+1/4) = 1/8 x 5/4 = 5/32 = 0.15625
BDFEC 5 0 (1/2)^5 x (1+0) = 1/32 = 0.03125
BEFDC 5 0 (1/2)^5 x (1+0) = 1/32 = 0.03125
BDEC 4 0 (1/2)^4 x (1+0) = 1/16 = 0.0625
BEDC 4 0 (1/2)^4 x (1+0) = 1/16 = 0.0625
BEC 3 0 (1/2)³ x (1+0) = 1/8 = 0.125

Inteelt = de som van alle bijdragen = 0.46875 = 46.875%

Hits: 31

Read More

Vruchtbaarheid van de reu

Posted in: Dracht en Bevalling

Voor een succesvolle dekking is een vruchtbare reu noodzakelijk. Helaas komt het nog wel eens voor dat reuen ofwel onvruchtbaar zijn, ofwel dit in de loop van hun leven worden.
Wilt u dus een reu gebruiken die nog nooit of al langere tijd niet gedekt heeft is het niet onverstandig een spermaonderzoek te (laten) doen.
Ook wanneer een reu al enige malen niet in staat is gebleken voor nakomelingen te zorgen bij teven die op het juiste moment gedekt zijn ( met behulp van een progesteron onderzoek) is een spermaonderzoek op zijn plaats.
Van reuen met aangeboren afwijkingen aan het geslachtsapparaat zal duidelijk zijn dat de vruchtbaarheid hierdoor beïnvloed wordt. In de regel zullen deze reuen alleen al vanwege die afwijkingen niet ingezet worden voor de fokkerij.
Lastiger wordt het met reuen die in het verleden wel goed vruchtbaar waren en dat op een gegeven moment niet meer zijn. Dit proces kan een langzame verslechtering van spermakwaliteit betreffen maar ook een schijnbaar plotse onvruchtbaarheid zonder duidelijk waarneembare oorzaak.

Onvruchtbaarheid kan ontstaan door trauma aan de testikels (een beet bijvoorbeeld) of door een heftige ontsteking van het scrotum waaraan de hond veel likt. Een en ander gaat vaak gepaard met zwelling en verhoging van de temperatuur (plaatselijk). Vooral de temperatuursverhoging van de testikels is slecht voor spermaproductie.
Een ontsteking van de testikels of de prostaat of simpelweg een periode van algemeen ziek zijn gepaard gaand met flinke koorts kan aanleiding geven tot verminderde spermakwaliteit. Bij honden uit het buitenland (met name de VS) kan specifiek een Brucella infectie leiden tot onvruchtbaarheid. Deze infectie is overdraagbaar op andere honden. Wilt u dus een hond uit een land importeren waar brucellose voor komt is het zeer verstandig dit dier eerst te laten testen op brucellose.

Verminderde spermakwaliteit na een doorgemaakte infectie leidt niet altijd tot een blijvende onvruchtbaarheid. Het is zinvol de hond uitgebreid te onderzoeken, een eventuele oorzaak indien mogelijk te behandelen en een spermaonderzoek na verloop van bijvoorbeeld 6 maanden te herhalen.
Het gebruik van medicijnen als cytostatica, androgenen, anabole steroïden en glucocorticoïden kan ook aanleiding geven tot een verminderde vruchtbaarheid.
Testikelweefsel wordt door het lichaam niet geaccepteerd als lichaamseigen. Door een speciale constructie, de bloed-testikelbarrière, wordt voorkomen dat dit normaal gesproken problemen geeft. Wordt deze barrière echter verbroken door trauma of ontsteking dan kan het lichaam antistoffen gaan produceren tegen sperma. Dit kan uiteraard leiden tot onvruchtbaarheid.

Bij reuen die nog nooit gedekt hebben of na een periode van verminderde spermakwaliteit kan het enige malen produceren van een ejaculaat zonder een werkelijke dekking verbetering geven.
Wilt u het sperma van een reu onderzocht hebben, informeer dan eerst of uw dierenarts deze handeling verricht. Het is ook aan te raden een loopse teef mee te nemen om de reu te stimuleren.

Bron © Sterkliniek Dierenartsen Ermelo, M. E. Carrière-Bothof, Dierenarts.

Hits: 22

Read More

Aangeboren afwijkingen bij de hond

Posted in: Dracht en Bevalling

https://www.facebook.com/DierenziekenhuisRotterdam
N.B.
Deze cliënten hand-out is bedoeld als ondersteuning van het consult door de dierenarts. De tekst gaat ervan uit dat uw huisdier al door de dierenarts is gezien. De adviezen in de hand-out gelden alleen voor dieren bij wie de diagnose is gesteld. De informatie dient niet als vervanging van een consult door de dierenarts! Bedenk bij het lezen dat de gezondheidssituatie van uw huisdier anders kan zijn dan in de teksten wordt beschreven. Verder worden al onze hand-outs vervaardigd aan de hand van niet alleen wetenschappelijke literatuur, maar ook van onze eigen inzichten op grond van persoonlijke ervaringen. Daarom kan de informatie voor een deel afwijken van de gangbare literatuurwetenschappelijke literatuur, maar ook van onze eigen inzichten op grond van persoonlijke ervaringen
.

INLEIDING

Als er een nestje pups of kittens verwacht wordt is het altijd spannend hoeveel diertjes er ter wereld zullen komen. Hebben ze een mooie kleur/tekening en uit hoeveel mannelijke en hoeveel vrouwelijke dieren bestaat het nestje? Maar dan komt de meest belangrijke vraag: zijn ze allemaal gezond? Helaas kan er in het ontwikkelingsproces in de baarmoeder van alles mis gaan. Dat kan leiden tot meer of minder ernstige misvormingen. Met sommige misvormingen kan een dier prima leven. Het kan alleen beperkingen met betrekking tot de fokkerij of tentoonstellingen opleveren. Andere misvormingen zijn veel ernstiger en niet met het leven verenigbaar. Bepaalde misvormingen komen vaker bij bepaalde rassen voor, maar in principe kunnen onderstaande afwijkingen bij elk ras voorkomen.
In onderstaande tekst gaan we in op de meest voorkomende aangeboren misvormingen en de betekenis daarvan voor het verdere leven van de pasgeborene. Sommige misvormingen zijn direct op de eerste levensdag duidelijk, anderen komen pas in de eerste levensweken of maanden naar voren. Helaas bestaan er ontzettend veel aangeboren afwijkingen en onderstaande lijst is dus verre van volledig Het is voornamelijk bedoeld om de meest voorkomende aangeboren afwijkingen op te sommen.

OPEN GEHEMELTE

Dit is één van de eerste zaken die een ervaren fokker controleert, zijn er pups of kittens met een open gehemelte? Deze aangeboren afwijking komt regelmatig en bij alle rasssen voor. Het komt echter vaker voor bij brachycefale rassen (dieren met een korte snuit). Het gehemelte is gespleten. Dit betekent dat het diertje niet goed kan drinken en dat er melk via de open verbinding tussen mond- en neusholte naar de neusholte kan lopen. Op deze manier krijgt het diertje onvoldoende voedingsstoffen en antilichamen binnen en zal het wat betreft groei en ontwikkeling achterblijven bij de rest van het nest. Bovendien kan dit dier zich makkelijker verslikken, wat kan leiden tot longontstekingen. Het is belangrijk dat diertjes met een open gehemelte snel ter controle worden aangeboden bij de dierenarts. Sommige open gehemelten kunnen namelijk met succes operatief worden gesloten. Deze operatie wordt vanaf 4-8 weken uitgevoerd. Tot die tijd moet er wel zorg voor worden gedragen dat het via sondevoeding de biest en voldoende voeding binnenkrijgt om zich goed te ontwikkelen. Sommige defecten zijn echter zo groot dat het verstandig is om het diertje te euthanaseren.

NAVELBREUK EN LIESBREUK

Soms zien we het meteen na de geboorte, maar vaak wordt een navelbreuk of een liesbreuk pas bij het eerste onderzoek door een dierenarts vastgesteld. Bij een navelbreuk is het meestal niet nodig om te opereren, bij een liesbreuk kan dat heel anders liggen. Meer informatie over deze aangeboren afwijkingen vind u in de hand-out BREUKEN.

HERNIA DIAFRAGMATICA

Het komt ook voor dat er bij een pasgeboren pup of kitten een scheur in het middenrif aanwezig is. Deze ontstaat meestal ten gevolge van een moeizame bevalling waarbij het diertje met flinke kracht door het bekkenkanaal is geperst (vaak grote pups/kittens). Door de druk die zich dan opbouwt in de buik- en/of borstholte kan het voorkomen dat het middenrif scheurt. Gevolg: benauwdheid omdat het middenrif een belangrijke functie bij de ademhaling heeft en mogelijk later ook een obstipatie doordat darmen klem kunnen komen te liggen in de breukpoort of in de borstholte. Des te groter de scheur, hoe meer kans er is op complicaties. De diagnose kan met zekerheid gesteld worden middels een röntgenfoto. Indien het diertje erg veel last heeft, kan worden besloten tot euthanasieover te gaan.

ATRESIA ANI

Atresia ani, oftewel het afwezig zijn van de anus, is een afwijking die zowel bij pups als kittens voorkomt. Het komt voor dat het afgesloten zijn van de anus gepaard gaat met een opening tussen het laatste deel van de dikke darm en de vagina. Vaak zorgt dit al snel voor verstoppingverschijnselen en kan het diertje zijn ontlasting niet kwijt. De diertjes worden ziek, stoppen met eten en verslechteren snel. Een operatie is helaas meestal geen optie, omdat er een grote kans is op onzindelijkheid in het latere leven omdat de spierfunctie van de anus niet optimaal werkt.

HYDROCEPHALUS

Hydrocephalus betekent waterhoofd. Het betekent dat er teveel vloeistof in de schedel is opgehoopt waardoor de schedelbeenderen niet goed hebben kunnen sluiten en het hoofd meestal ook te groot is. Het is een dermate ernstige aandoening die het niet met het leven verenigbaar is. We moeten meestal besluiten om de pup in te laten slapen.

OOGLIDAFWIJKINGEN

Er zijn een aantal ooglidafwijkingen die in de eerste levensmaanden van een pup of kitten naar voren kunnen komen. Pas als het hoofd van een dier is uitgegroeid, en dit is pas op ongeveer driejarige leeftijd kunnen we pas zien hoe ernstig de afwijking is en dat zou pas het beste moment zijn om eventueel te gaan opereren. Helaas kunnen we meestal niet zo lang wachten omdat de problemen die de oogafwijkingen opleveren te ernstig zijn.

KNIKSTAARTJE

Deze afwijking komt vooral voor in het laatste gedeelte van de staart en ziet eruit zoals de naam al doet vermoeden, er zit een knik in de staart, alsof het diertje ermee tussen een deur heeft gezeten. Fokkers zijn er absoluut niet blij mee, omdat het diertje niet zal mogen meedoen aan tentoonstellingen en dus ook uitgesloten zal worden voor de verdere fokkerij van het betreffende ras. Het diertje zelf zal er in de toekomst weinig last van hebben, het doet geen pijn en het diertje kan er prima mee leven.

CRYPTORCHIDIE

Cryptorchidie is het niet indalen in de balzak van één of beide testikels van een reu of kater. Het komt redelijk vaak voor, bij 11 % van de mannelijke dieren. Normaal gesproken dalen de testikels in binnen 10 dagen na de geboorte, maar het komt ook voor dat beide testikels pas na een aantal maanden ingedaald zijn. Als ze op 6 maanden leeftijd nog niet zijn ingedaald is het niet aannemelijk dat het nog zal gebeuren. De niet ingedaalde testikel(s) bevinden zich meestal in de buik of in het lieskanaal.Aangezien er een verhoogde kans bestaat op tumoren, is het aan te raden deze dieren te castreren. Omdat cryptorchidie vooral voorkomt bij bepaalde rassen (miniatuurrassen, boxers, shelties, engelse buldoggen) wordt een erfelijke basis vermoed en worden honden met cryptorchidie uitgesloten van de fokkerij.

PHIMOSIS

Phimosis wil zeggen: een te nauwe voorhuid waardoor een reu problemen heeft met het in- en uitschachten van zijn penis. Het is een aangeboren afwijking die vaak pas bij het begin van het sexueel actief zijn van de reu wordt ontdekt. Middels een simpele operatie kan de voorhuid ruimer gemaakt worden en is de hond van zijn probleem af.

TEENTJE TEVEEL OF TE WEINIG

In principe is het aan alle poten mogelijk dat er een van de vijf teentjes mist. Als het om één teen gaat zal dit meestal niet veel problemen opleveren voor de voortbeweging van de hond of kat voor de rest van zijn leven. Missen er meerdere tenen aan dezelfde poot dan kan dat wel voor problemen gaan zorgen, dit komt overigens zelden voor.
Ook komt het voor dat er een teentje teveel aanwezig is. Hier heeft het dier over het algemeen weinig last van. Het zal wel duidelijk zijn dat beide afwijkingen negatieve gevolgen opleveren voor de verdere fokkerij met de betreffende hond.
Hubertusklauwtjes zijn de ‘hoge’ teentjes aan de achterpoten, die eigenlijk geen functie meer hebben en bij veel rassen niet eens meer voorkomen. Echter bij sommige rassen moeten ze volgens de rasstandaard verplicht aanwezig zijn. Doordat het losse bungelende teentjes zijn, kunnen ze achter takken en dergelijke blijven hangen en voor wondjes aan de achterpoten te zorgen. Hubertusklauwtjes zijn dus geen aangeboren afwijking. De meeste dieren hebben er geen last van. Soms kunnen de tenen wel problemen geven en worden ze operatief verwijderd.

TEVEEL OF TE WEINIG GEBITSELEMENTEN

Een teveel of tekort van het normale aantal gebitselementen komt regelmatig voor. Meestal in het blijvende gebit, dus de afwijking komt pas op een paar maanden leeftijd naar voren.

  • Ondertal: afwezigheid van een of meer gebitselementen doordat ze niet aangelegd zijn of doordat een tandkiem niet tot ontwikkeling is gekomen. Soms is het ondertal te wijten aan omgevingsinvloeden (geboortetrauma, rontgenstraling, infectieziekten, hormonale stoornissen), maar erfelijke invloeden worden als de belangrijkste oorzaak aangemerkt. Over het algemeen komt het niet zo vaak voor dat er bij gezelschapsdieren tanden of kiezen missen. Bij Tentoonstellingshonden behoort deze afwijking door de keurmeester te worden gezien. Het ontbreken van elementen heeft nauwelijks een functionele betekenis, het is daarom niet nodig en zelfs ethisch niet te verantwoorden het ontbrekende gebitselement aan te vullen door middel van implantatie. 
  • Overtalligheid: overtallige gebitselementen treft men vooral aan bij de snijtanden en de voorste kiezen. Het wordt het vaakst gezien bij honden met een brede bek, zoals de boxer en de buldog. Het kan gepaard gaan met stoornissen in het doorkomen van de tanden, ruimtegebrek en een verkeerde positie van de tanden. Als een overtallig gebitselement verwijderd dient te worden is het verstandig vooraf röntgenfoto’s te maken, zodat het juiste element verwijderd wordt.

DOOFHEID

Aangeboren doofheid is een bekend probleem bij vooral witte boxers en bij witte katten, maar het kan eigenlijk bij alle dieren voorkomen. Er is een duidelijk verband te zien tussen pigmentafwijkingen (geen pigmentcellen aanwezig) en aangeboren erfelijke doofheid, dit noemen we het Waardenberg syndroom. Het komt vooral voor bij witte dieren met blauwe ogen. Doofheid wordt niet gevonden bij albinisme, waarbij pigmentcellen wel aanwezig zijn, maar niet tot enige pigmentvorming in staat zijn. Het kan aan één of aan beide oren voorkomen en het kan compleet of gedeeltelijk zijn. Omdat het, vooral bij eenzijdige doofheid , moeilijk is om de afwijking te diagnosticeren gebruiken we de BEAR-test (Brain stem Auditory Evoked Response), waarbij elektrische activiteit in de schedel wordt geregistreerd als reactie op geluiden. De test geeft een betrouwbare uitslag van beide oren afzonderlijk en kan vanaf een leeftijd van 6 weken worden uitgevoerd. Dieren die eenzijdig of beiderzijds doof zijn hebben hier over het algemeen weinig last van en kunnen prima functioneren. Indien een eigenaar al vanaf jonge leeftijd middels duidelijke gebaren met de hond communiceert is het zelfs mogelijk om met een dove hond behendigheid te gaan doen.

URINEWEGAFWIJKINGEN

Er bestaan twee afwijkingen aan de urinewegen waar we rekening mee moeten houden bij een jong dier met recidiverende blaasontsteking of incontinentieproblemen.

  • Persisterende urachus: de urachus is een verbindingvan de blaas naar de navel(streng) waardoor de urine tijdens het embryonale leven wordt afgevoerd. Bij de geboorte sluit de navelstreng en gaat de urachus in regressie en wordt de urine voortaan via de plasbuis afgevoerd. Bij sommige dieren blijft deze urachus, meestal gedeeltelijk, aanwezig. Dit uit zich in een kleine uitstulping van de blaas waar urine in kan lopen. Omdat bij de lediging van de blaas dit uitstulpsel vaak niet goed geleegd kan worden, krijgen we stasis van urine, wat een prima broedplaats is voor bacterien. Een operatie is hiervoor de enige oplossing. De prognose is over het algemeen goed. 
  • Ectopische ureteren: vanaf beide nieren loopt een ureter, dit is een smal buisje dat de door de nieren gemaakte urine vervoerd, naar de blaas. Als de ureteren ectopisch zijn wil dit zeggen dat ze op een verkeerde plaats in de blaas uitmonden, te ver naar achteren. Hierdoor kan de urine rechtstreeks in de plasbuis terecht komen en tot incontinentie leiden. Ook hier is een (specialistische) operatie nodig met over het algemeen een goede prognose.

LUCHTWEGAANDOENINGEN

Doordat er bij bepaalde rassen (engelse en franse bulldog, mopshonden, perzische katten etc.) bewust op een korte neus en een korte schedel wordt gefokt ontstaan er bij deze rassen een aantal aangeboren afwijkingen die hier direct verband mee houden: te kleine neusgaten, te lang gehemelte (dit komt door de te korte snuit) en een te nauwe luchtpijp. Hierdoor maken de dieren bij het ademhalen vaak een snurkend geluid, wat door veel eigenaren als gezellig betiteld wordt, maar dus eigenlijk een bemoeilijkte ademhaling is. Helaas zijn de afwijkingen regelmatig zo ernstig dat operatief ingrijpen noodzakelijk is. Dat is bij bovengenoemde aandoeningen goed mogelijk, hoewel de narcose bij deze honden een verhoogd risico met zich meebrengt. Gelukkig beginnen steeds meer mensen in te zien dat het niet goed is om in de rasstandaard tot in de extremen te volgen. Zeker bij deze kortneuzige dieren komt het dierengezondheid en welzijn in het geding. Wij als dierenartsen kunnen deze nieuwe ontwikkelingen dan ook alleen maar toejuichen.

DWERGGROEI

Dwerggroei kan ontstaan door een afwijking in de hypofyse, een belangrijk hormoonproducerend orgaan in de hersenen. Doordat er o.a. te weinig groeihormoon aangemaakt wordt blijven de dieren te klein, wat meestal pas in de eerste levensmaanden tot uitdrukking komt. Opvallend is dat vaak wel de proporties kloppen, maar dat de dieren in het geheel te klein blijven. Het is beschreven dat de aandoening erfelijk is bij Duitse herders, en bij Karelische Berenhonden, maar het kan bij alle hondenrassen en ook bij katten voorkomen. Het is een zeldzame aandoening die gepaard gaat met allerlei afwijkingen, o.a. te traag werkende bijnier, vachtproblemen, afwijkende testikels, hartafwijkingen, te traag werkende schildklier etc. Het is denkbaar om deze dieren met hormonen en evt. aanvullende medicijnen te behandelen, maar de prognose voor de toekomst blijft onzeker.

Bij bepaalde rassen, zoals de basset en de tekkel, wordt bewust gefokt op korte poten. Dit verschijnsel staat bekend onder de naam chondrodysplasie. De kortbenigheid wordt veroorzaakt door uitval van het gen dat zorgt voor de groei van kraakbeen. Doordat het kraakbeen afwijkend groeit sluiten de groeischijven sneller en daardoor wordt de lengtegroei van botten geremd. Een gevolg van deze afwijking is dat de kwaliteit van de tussenwervelschijven slecht is waardoor er afwijkingen aan de wervelkolom kunnen ontstaan.

LEVERSHUNT

Een levershunt is een aangeboren erfelijke afwijking van de lever, waarbij de doorbloeding van de lever omzeild wordt door een bloedvat dat buiten de lever omloopt of door de lever heen gaat. Het is een afwijking die vaak pas later wordt onderkend, maar grote gevolgen heeft voor het verdere leven van het dier.

HARTAFWIJKINGEN

Het hart is een ingenieuze holle spier waarin allerlei bloedvaten uitmonden of starten. Helaas kunnen er in de ontwikkeling allerlei dingen mis gaan waardoor we een heel scala van hartafwijkingen bij de hond kennen. Bepaalde vaten kunnen bij de aanhechting aan het hart vernauwd zijn. De aders waarbij dat nogal eens voorkomt zijn de lichaamsslagader en de longslagader. Daarnaast kan het voorkomen dat de wand tussen de linker- en de rechterkamer niet goed sluit waardoor er een gat blijft bestaan waardoor het bloed niet effectief wordt rondgepompt. Meestal resulteren afwijkingen in de ontwikkeling van het hart in vroeg of laat symptomen van een verminderde groei, verminderd uithoudingsvermogen en een verminderde eetlust. Een gedegen klinisch onderzoek bij de eerste enting van de pups is heel belangrijk om hartaandoeningen vroeg te diagnosticeren. Afhankelijk van de ernst van de aandoening is het soms mogelijk om middels een operatie de problemen te verhelpen. Vaak zijn dit specialistische ingrepen waarvoor u wordt verwezen.

PERSISTERENDE RECHTER AORTABOOG

In het foetale stadium worden er bij honden en katten twee slagaders aangelegd. Een van de twee, meestal de rechtse, verdwijnt aan het einde van de draagtijd, maar het komt voor dat deze blijft bestaan. Dit noemen we een persisterende rechter aortaboog. Door de lokalisatie van deze rechter aortaboog krijgt een pup (het komt vaker voor bij honden) vaak problemen op het moment dat hij van melkvoeding overgaat op vaste voeding. De rechter aortaboog draait namelijk om de slokdarm heen en zorgt voor een afklemming van de slokdarm waardoor voedsel minder makkelijk kan passeren. De dieren gaan braken/ regurgiteren, de slokdarm kan voor de afsluiting uitrekken en de dieren kunnen een ontsteking van de slokdarm krijgen. Het is van belang dat de rechter aortaboog verwijderd wordt. Voor deze operatie zult u worden doorverwezen naar een specialist.

PREVENTIE VAN AANGEBOREN MISVORMINGEN

Door voor en tijdens de dracht een optimaal vaccinatieschema toe te passen, besmettingen te voorkomen en een optimale voeding te verstrekken kan men een aantal mogelijke oorzaken van aangeboren afwijkingen voorkomen. Helaas is het nooit helemaal uit te sluiten en zal ook de beste fokker eens met een aangeboren afwijking geconfronteerd worden.

Hits: 1120

Read More
Loading...
error: Content is protected !!